Vandaag heeft premier Bart De Wever het ontslag van zijn regering aangeboden aan koning Filip. De koning heeft dat ontslag voorlopig niet aanvaard, maar houdt zijn beslissing in beraad en zal de komende dagen overleggen met de voorzitters van de meerderheidspartijen. Aanleiding is het uitblijven van een akkoord over de federale begroting. De regering zoekt naar een inspanning van ongeveer tien miljard euro tegen 2029, maar raakt het niet eens over de verhouding tussen besparingen en bijkomende belastingen. Dat is politiek belangrijk nieuws, maar voor mij is de vraag wie uiteindelijk toegeeft minder interessant dan de vraag waarom we telkens opnieuw op hetzelfde punt belanden.
We hebben geen gebrek aan inkomsten
België is geen land waar de overheid nauwelijks middelen heeft. Integendeel, we behoren al jarenlang tot de landen met een hoge belastingdruk. Wie werkt, onderneemt of investeert, weet hoeveel van zijn inkomen naar belastingen en bijdragen gaat. Toch slagen we er niet in onze overheidsfinanciën duurzaam in evenwicht te brengen. Volgens de Europese Commissie zou het Belgische begrotingstekort dit jaar ongeveer 5,2 procent van het bruto binnenlands product bedragen. De overheidsschuld bedraagt meer dan 110 procent van onze jaarlijkse economische productie. Dat zijn geen cijfers die morgen een faillissement aankondigen, maar ze tonen wel dat we structureel meer uitgeven dan we ontvangen. En dat probleem verdwijnt niet door het politieke debat nog enkele maanden vooruit te schuiven.
Natuurlijk kun je altijd nieuwe belastingen bedenken. Op hogere inkomens, op vermogen, op ondernemingen of op bepaalde vormen van consumptie. Iedere maatregel heeft wel een argument dat op het eerste gezicht redelijk klinkt. Maar al die maatregelen samen bepalen hoeveel mensen uiteindelijk overhouden van wat ze verdienen, sparen of creëren. Wie telkens opnieuw naar bijkomende inkomsten grijpt, vergeet bovendien dat belastingen ook gedrag beïnvloeden. Ze kunnen investeringen uitstellen, ondernemerschap minder aantrekkelijk maken of de beloning voor extra werk verkleinen. Dat betekent niet dat belastingen nooit aangepast mogen worden. Wel dat de overheid eerst overtuigend moet aantonen waarom ze met haar bestaande middelen niet toekomt.
Besparen vraagt meer dan schrappen
Daarmee is niet gezegd dat besparen gemakkelijk is. Achter bijna iedere overheidsuitgave zitten mensen die op een dienst, een uitkering of een voorziening rekenen. Een ziekenhuis heeft voldoende personeel nodig, scholen moeten degelijk onderwijs aanbieden en onze veiligheid kost geld. Wie beweert dat je tien miljard euro kunt besparen zonder dat iemand daar iets van merkt, maakt het debat niet geloofwaardiger. Maar het omgekeerde is evenmin waar: niet iedere bestaande uitgave is noodzakelijk, niet iedere subsidie bereikt haar doel en niet iedere overheidsstructuur werkt efficiënt. Een overheid die verantwoordelijkheid vraagt van burgers, moet bereid zijn om diezelfde kritische blik op zichzelf te richten.
Daarom zou de discussie veel meer moeten gaan over wat de overheid doet en hoe ze dat organiseert. Welke taken zijn werkelijk essentieel? Waar betalen verschillende overheden voor gelijkaardige diensten? Welke subsidies leveren aantoonbaar resultaat op en welke blijven bestaan omdat niemand ze nog ter discussie stelt? Hoeveel administratie leggen we ondernemingen, zorgverleners en verenigingen op, terwijl diezelfde administratie ook bij de overheid geld en personeel kost? Zulke vragen leveren niet automatisch morgen miljarden op. Ze vergen grondige keuzes, soms investeringen en vaak ook politieke moed. Maar ze zijn wel noodzakelijk als we willen vermijden dat iedere begrotingsronde opnieuw eindigt met dezelfde zoektocht naar extra inkomsten.
Groei hoort bij de oplossing
Er is nog een belangrijke kant aan dit verhaal. Een begroting gezond maken gaat niet uitsluitend over minder uitgeven. We moeten ook zorgen dat onze economie sterker wordt en meer mensen aan het werk kunnen. Wanneer iemand die vandaag niet werkt opnieuw een duurzame job vindt, verbetert dat niet alleen zijn persoonlijke situatie. Het kan ook de overheidsfinanciën versterken, omdat er meer bijdragen binnenkomen en minder ondersteuning nodig is. Hetzelfde geldt voor ondernemingen die kunnen groeien, investeren en nieuwe medewerkers aanwerven. Daarom zijn een eenvoudiger belastingstelsel, minder administratieve lasten, goed onderwijs en een arbeidsmarkt die mensen kansen geeft geen afzonderlijke thema's. Ze maken deel uit van hetzelfde economische verhaal.
Dat vraagt ook eerlijkheid van wie zichzelf liberaal noemt. We hebben in het verleden mee bestuurd en dragen dus mee verantwoordelijkheid voor de situatie waarin België vandaag verkeert. Het zou te gemakkelijk zijn om te doen alsof alle problemen door anderen zijn veroorzaakt. Bovendien volstaat het niet om tegen nieuwe belastingen te zijn. Wie die keuze verdedigt, moet ook bereid zijn concrete alternatieven op tafel te leggen, inclusief maatregelen die niet bij iedereen populair zullen zijn. Liberalisme is voor mij geen pleidooi om noodzakelijke beslissingen uit te stellen. Het is de overtuiging dat mensen meer kunnen realiseren wanneer de overheid zorgvuldig omgaat met hun geld en hen voldoende ruimte geeft om vooruit te gaan.
De echte keuze ligt voorbij deze crisis
Of de regering-De Wever deze week overeind blijft, weten we vandaag nog niet. Misschien vinden de coalitiepartijen alsnog een compromis. Misschien volgt een langere politieke crisis. Maar welke uitkomst het ook wordt, de financiële werkelijkheid verandert daardoor niet. De rentelasten blijven bestaan, de vergrijzing zet door en de nood aan investeringen in veiligheid, infrastructuur en andere essentiële voorzieningen verdwijnt niet. Hoe langer we noodzakelijke hervormingen uitstellen, hoe minder ruimte er later overblijft om zelf keuzes te maken. Dat is uiteindelijk de grootste kost van politiek uitstelgedrag.
Ik hoop daarom dat deze crisis niet eindigt met een akkoord dat vooral bedoeld is om de regering te redden. België heeft behoefte aan een begroting die ook de toekomst van zijn burgers en ondernemingen beschermt. Dat vraagt een overheid die prioriteiten durft te stellen, verspilling aanpakt, economische groei mogelijk maakt en werken en ondernemen opnieuw voldoende beloont. Niet iedere maatregel zal gemakkelijk zijn en niet iedereen zal het met elke keuze eens zijn. Maar een eerlijk debat over wat we kunnen betalen, wat we echt nodig hebben en hoe we meer welvaart creëren, is veel waardevoller dan nog een nacht onderhandelen over wie de rekening krijgt. Een regering kan vallen. De factuur blijft. Het wordt tijd dat we ervoor zorgen dat die niet telkens opnieuw bij dezelfde mensen terechtkomt.